oor∙sprong [ de ~ (m.)] ¹ punt waar, omstandigheid waar-
uit iets ontstaat ▲begin► begin, kiem, origine, wortel ▼ af
komst, bakermat, bron, herkomst, oerbeginsel ² <wisk.> snij-
punt van de nulordianen in een grafiek ◊ een certifi-
caat* van oorsprong¹; het land van oorsprong¹; van [En-
gelse] oorsprong¹
Ridders bonden in de middeleeuwen (500-1500) een gekleurde lap aan
hun lans om te laten zien met wie men te maken had.
Toch waren vlaggen al veel eerder in de geschiedenis bekend. In het
Atlasgebergte in Noord-Afrika zijn rotstekeningen uit de bronstijd gevonden
met voorstellingen van mensen die een vlag in de hand houden.
Uit de Kaukasus (Rusland) kennen we soortgelijke tekeningen, die in
het stenen tijdperk zijn gemaakt.
Die ridders hadden niet altijd een lans bij zich om een vlag aan te
binden. Maar wel altijd een schild om aanvallen van een tegenstander af
te weren.
En dat schild gingen ze toen kleuren (be-schilderen) met de kleur of kleuren
van de vlag.
Bronnen: van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands, Van Dale Lexicografie Utrecht / Antwerpen
Vlaggen Informatie, De Ruiter b.v. - Gorinchem
|